Lucian Freud - 19 juni 2010

Reageren? | Berichten lezen? ( 1 )

Het object van hun observaties mag dan verschillen, beide Freuds beschikken over een bijzonder vermogen te analyseren. Met de blik van een slang die op het punt staat te bijten, werkt Lucian Freud aanvankelijk in een objectieve, tekenachtige stijl volgens de principes van de Duitse Nieuwe Zakelijkheid. Sinds 1954 brengt hij de verf klonterig op het doek, onder andere doordat hij vuile kwasten en paletmes gaat gebruiken en zijn doeken niet langer aan tafel concipieert, maar op een ezel zet. Die ommezwaai is een bevrijding, de verf lijkt organisch op het doek te groeien, overeenkomstig Freuds tastende manier van werken. Verf wordt vlees en vlees verf. De lichamelijkheid van zijn schilderijen wordt op een overdonderende manier tastbaar in de laatste zaal van de tentoonstelling in Parijs. Omringd door alleen maar naakten, inclusief het stramme, verlepte lichaam van de 87-jarige schilder zelf, voelt de bezoeker zich bekeken. Aan ons schoonheidsideaal voldoen al die naakten niet, integendeel, sommigen zijn verontrustend vet, zoals de travestiet Leigh Bowery, die Freud als Hercules op een sokkel zet en ten voeten uit schildert. Anderen spreiden hun benen op een manier waardoor hun ‘geniale delen’ nadrukkelijk zijn te zien. Het liefst zou je er niet naar willen kijken, maar het is alles wat je ziet. Freud plaatst de seksuele organen niet voor niets vaak in het centrum van de compositie. Net als zijn portretten van bekende wereldburgers als koningin Elisabeth II en de kunstverzamelaar Thyssen-Bornemisza schildert Freud zijn naakten niet mooier dan ze zijn. Hun ongemak wordt ons ongemak. Freud onthult hun kwetsbaarheid en hulpeloosheid. Vlees en verf zijn bij hem vloek en vergetelheid tegelijk. De slang in het paradijs heeft toegeslagen, maar we hebben het overleefd.